|
||
|
|
||
|
2 1 - 0 5 - 2 0 0 4 Kant-en-klaar-voedsel slecht voor musculatuur
Ook al eet je voldoende eiwitten, als je veel kant-en-klare voedingsmiddelen eet kunnen je spieren toch door ondervoeding afbreken. Dat ontdekten Amerikaanse onderzoekers. Boosdoeners zijn de beruchte transvetzuren.
Over transvetzuren hebben onderzoekers de laatste decennia niks dan slechts ontdekt. De industriële vetzuren, die fabrikanten gebruiken in voedsel dat lang goed moet blijven en ook een stevige structuur moet hebben, verzieken het cholesterol en verhogen de kans op een hartaanval.
Transvetzuren ontstaan tijdens productieprocessen in de voedingsindustrie door omzetting van meervoudig onverzadigde vetzuren. Meervoudig onverzadigde vetzuren zijn dan wel gezond, maar ze bederven ook snel. De consument wil echter producten die lang goed blijven en niet ranzig gaan smaken. Daarnaast hebben voedingsmiddelen met onverzadigd vet een slappe textuur. De consument wil stevige margarine die niet van het mes valt, brosse koekjes en knapperige pizzabodems. Wel, de consument wordt op zijn wenken bediend.
Het probleem met transvetzuren is dat ze veel op de gezonde onverzadigde vetzuren lijken. De enzymen, waarmee het lichaam nuttige stoffen van onverzadigde vetzuren maakt, herkennen de transvetzuren als onverzadigde vetzuren. Maar omdat de ruimtelijke structuur van transvetzuren is veranderd kunnen de enzymen er niks mee. Gezonde onverzadigde vetzuren hebben een knik, waardoor de enzymen bij de dubbele bindingen kunnen komen. Bij transvetzuren is die knik verdwenen.
Het gevolg van een dieet met veel transvetzuren is dat de enzymhuishouding overwerkt raakt. Bekend is de remmende werking van transvetzuren op het enzym delta-6-desaturase. Dat maakt GLA van linolzuur. Het is maar een voorbeeld. Transvetzuren ontwrichten nog veel meer.
Zouden transvetzuren ook gevolgen kunnen hebben voor de musculatuur? Dat vroegen de Amerikanen zich af. De gedachte is niet zo raar. Spieren hebben stoffen als prostaglandines nodig, en het lichaam produceert die op basis van meervoudig onverzadigde vetzuren. Onderzoekers denken bovendien die vetzuren ook nodig zijn voor eiwitten als PPAR-beta en UCP-2.
De Amerikanen onderzochten 32 mannen en vrouwen in de leeftijd van 38 tot 83. De proefpersonen waren gezond maar de helft had een risicofactor voor hart- en vaatziekte. De onderzoekers maten hun voedselinname en onderzochten hun bloed en urine.
De Amerikanen hadden meteen beet. Hoewel de proefpersonen meer dan genoeg eiwitten aten, was hun urine en bloed dat van iemand met ondervoeding. In hun urine zaten veel minder aminozuren dan zou moeten, terwijl in hun bloed de spiegel van alanine juist aan de hoge kant was. De norm is 140 tot 480 nanogram per milliliter, terwijl de proefpersonen spiegels van 265 tot 659 nanogram per milliliter hadden. De overige aminozuren in het bloed waren normaal.
Veel alanine in het bloed wijst er op dat spierweefsel afbreekt en alanine afgeeft aan het bloed. Tel daar bij op de lage concentraties van aminozuren in de urine, dan heb je het beeld van iemand die zijn spieren afbreekt door een tekort aan eiwit.
In het bloed van sommige proefpersonen zat ook veel 5,8,11 eicosatrienoic acid - meestal aangeduid als Mead's acid. Het lichaam maakt dat van enkelvoudig onverzadigde vetzuur oliezuur. Dat gebeurt vooral als noodoplossing, omdat het lichaam een tekort heeft aan onverzadigde vetzuren.
Toen de onderzoekers toetsten of er sprake was van een samenhang tussen transvetzuren, essentiële vetzuren en de concentratie 5,8,11 eicosatrienoic acid hadden ze alweer beet. In [deze tabel] zie je de significante verbanden. Cis-linoleic acid is trouwens gewoon linolzuur, een grondstof voor verschillende verbindingen in het lichaam.
De Amerikanen lieten nog meer statistiek op hun meting los. Kort gezegd kwam de uitkomst erop neer dat er ook verbanden waren tussen de concentraties linolzuur en de tekenen van eiwittekort in het bloed en de urine. Hoe minder linolzuur, des te groter waren de symptomen van 'eiwittekort'. Daarom kwamen de onderzoekers tot deze [conclusie].
Voor sporters is dit onderzoek interessant. Het wijst op een simpele en gezonde strategie waarmee je de opbouw van spieren kunt optimaliseren: de transvetzuren uit je dieet knikkeren. De gemiddelde Amerikaan eet dagelijks zo'n vijf gram transvetzuur. In Nederland zou dat iets minder moeten zijn.
Onderstaande tabellen plukten we van internet. Ze vertellen je voor een aantal voedingsmiddelen hoeveel transvetzuren je per serving binnenkrijgt. De boodschap is duidelijk: margarines, spreads, sauzen, snoepgoed, kortom: al het kant-en-klare spul in de winkel bevat transvetzuren.
Een uitgebreide website met cijfers over transvetzuren in voeding vind je [hier].
Richard Hubbard, James Westengard, Albert Sanchez, Merritt Horning, Jacques Barth. Apparent skeletal muscle loss related to dietary trans fatty acids in a mixed group of omnivores and vegetarians. Nutrition Research 23 (2003) 651-658. 1 7 - 0 6 - 2 0 0 6 Transvetten maken dikker dan andere vetten
Transvetten maken dikker dan andere vetten. Het vet dat je wint is bovendien vooral vet te zitten. Juist dat vet verhoogt dat de kans op hart- en vaatziekten. Dat stelden Amerikaanse onderzoekers van Wake Forest University Baptist Medical Centre op het jaarlijkse congres van de American Diabetes Association. Dat wordt gehouden in Washington, DC. Oorspronkelijk onderzochten de Amerikanen het effect van de transvetten op aterosclerose. Ze volgden twee groepen van 25 apen zes jaar lang. De ene groep kreeg een ‘transvet-dieet’, waarbij de calorieën voor acht procent bestonden uit transvetten. De transvetten waren bij de controlegroep vervangen door enkelvoudig onverzadigd vet, het vet dat je tegenkomt in olijfolie. Het dieet van beide groepen bestond voor 35 procent uit vet. Het dieet moest zoveel mogelijk het westerse dieet nabootsen. Aan het eind van het onderzoek waren de ‘transvet-apen’ een stuk dikker dan de ‘controle-apen’. "Dat was een verrassing", aldus professor Lawrence Rudel. 'Beide groepen kregen niet genoeg calorieën om dik te worden." Toch waren de transvet-apen 7.2 procent van hun lichaamsgewicht aangekomen, bijna vier keer zoveel als de ‘controle-apen’. Onderzoekers waarschuwen om de resultaten klakkeloos te generaliseren naar mensen. De apen kregen wel heel erg veel transvet. In de meeste Westerse landen bestaat de voeding voor één tot twee procent uit transvet. In Nederland is dat zelfs minder. Ook bleken de ‘transvet-apen' te kampen met 33 procent meer buikvet (risicofactor voor diabetes type II en hart- en vaatziekten) en een verstoorde insulinebalans (een voorloper van suikerziekte). Daarom concluderen de onderzoekers dat transvet niet alleen dikker maakt dan andere typen vetten, maar ook gevaarlijker is dan andere vetten.
Clint Witchalls.
Trans fats - the hidden hazard.
Independent Online, June 16 2006.
|
|
|