|
||
|
||
|
2 8 - 1 2 - 2 0 0 7
Tijdens een trainingssessie fietsten de vrouwen vier minuten op negentig procent van hun maximale zuurstofopname - preciezer: op negentig procent van hun VO2peak. Daarna namen ze twee minuten rust. Die cyclus herhaalden de studentes in totaal tien keer. Een training duurde dus een uur. Voor en na de twee weken keken de onderzoekers naar de stofwisseling van de vrouwen. De onderzoekers bepaalden de maximale zuurstopname van de studentes - die steeg met dertien procent - en lieten de vrouwen een uur op zestig procent van hun maximale zuurstofopname fietsen. Bij die intensiteit is de verbranding van vet door de spieren op zijn hoogst. Verrassend was dat de relatief korte trainingsperiode in de spieren effecten teweegbracht die sportwetenschappers kennen als aanpassingseffecten van duurtraining. Toen de studentes na de trainingsperiode een uur moesten fietsen stegen hun hartslag en hun adrenalinespiegel bijvoorbeeld minder. Tijdens het uurtje fietsen voor en na de trainingsperiode van twee weken verbruikten de studentes evenveel energie. Maar de verbranding van glucogeen in de spieren verminderde, en de verbranding van vet nam toe met 36 procent. Dat zie je hieronder.
In de spiercellen verminderde de aanmaak van nieuw glycogeen met twaalf procent. Dat is positief, want de nieuwvorming
van glycogeen in de spieren gaat ten koste van eiwit.
Het sterkste effect dat de Canadezen vonden had echter te maken met muscle plasma membrane fatty acid-binding
protein. Dat eiwit vervoert vetzuren in de spiercellen. De intervaltraining deed de concentratie toenemen
met een kwart.
|
|
|